Geen verbod merkenparodie

08-02-08

Het merkenrecht is vaak niet te verenigen met het democratische recht op vrije meningsuiting. Het merkenrecht moet daarom worden ingeperkt, schrijft Wolfgang Sakulin.

Tabaksfabrikant Philip Morris heeft de anti-Wilders demonstranten gesommeerd het Marlboro-logo van hun posters te verwijderen. Dat kan zomaar niet. De ophef over arrestaties bij demonstraties van de Internationale Socialisten op de Dam is alweer voorbij. De posters, die op pakjes Marlboro waren geinspireerd en de tekst droegen: 'Geert Wilders. Extremist. Brengt u en de samenleving ernstige schade toe', bleken geen strafbare belediging. Maar dat is niet het einde van de affaire. Begin deze week heeft Philip Morris, eigenaar van Marlboro, aangegeven via het merkenrecht gebruik van de poster te willen tegenhouden. De Internationale Socialisten zijn per direct met het verspreiden van de poster gestopt. Gezien de rechtspraak op dit terrein zou Phillip Morris bij een rechtzaak weleens in het gelijk kunnen worden gesteld.

Het merkenrecht hanteert strenge handelsnormen ter bescherming van de reputatie van merken. In het economisch verkeer mag men alleen voordeel behalen uit, of schade toebrengen aan de reputatie van andermans merk als daar een 'geldige reden' voor is. Volgens jurisprudentie mag andermans merk slechts gebruikt worden als daar een 'strikte noodzaak' voor bestaat. Zolang deze regel bestaat tussen marktpartijen onderling, valt daarvoor veel te zeggen. Het kost veel om een merk bekend te maken en bekend te houden. Het zou onwenselijk zijn als marktpartijen op elkaars reputatie zouden meeliften of elkaars reputatie om zeep zouden helpen. Wanneer dezelfde norm wordt toegepast op niet-commerciele uitingen, dan dreigt zij inbreuk te maken op de vrije meningsuiting. In de praktijk rijst er een probleem. Het Benelux-verdrag inzake het intellectuele eigendom, waarin ook het merkenrecht is geregeld, geldt namelijk ook buiten het economisch verkeer. Als artistiek of politiek gebruik van merken alleen mag in het geval van 'strikte noodzaak', dan is dat in strijd met de vrije meningsuiting. Het recht op vrije meningsuiting zoals vastgelegd in artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) houdt namelijk in dat sociaal of politiek debat alleen mag worden beperkt voor zover dat in een democratische samenleving noodzakelijk is.

Desondanks plaatsen rechters vaak de bescherming van commerciele waarde voorop. Dit is een verkeerde ontwikkeling. Er zou juist ruimte moeten zijn voor merkgebruik waar het gaat om kritiek aan het adres van de merkhouder, bij parodie of in de kunst. Het merkenrecht met zijn strenge normen zou zich alleen moeten uitstrekken tot de bescherming van de commerciele betekenissen van merken. Sociale en politieke betekenissen daarentegen moeten vrij gebruikt kunnen worden, al moet er wel altijd een afweging van belangen worden gemaakt als er zeer ernstige schade dreigt te ontstaan.

 

Vrijblijvend advies? Stel ons een vraag...

U kunt gemakkelijk en vrijblijvend contact met ons opnemen. Wij streven ernaar om uw bericht zo snel mogelijk te behandelen. De velden gemarkeerd met een * zijn verplicht.

  1. Naam *

  2. Telefoon

  3. E-mail *

  4. Uw vraag verzoek of opmerking *