Met een Louis Vuitton in de hand…

Op 27 januari 2011 deed de Haagse Rechtbank uitspraak in een zaak tussen een kunstenares Plesner en Louis Vuitton. Plesner had een Vuitton tasje afgebeeld aan de arm van een neger jongetje op haar schilderij Darfurnica. Plesner vraagt daarmee aandacht voor de misstanden in Darfur en combineert in het schilderij de ‘cruel reality’ met ‘showbiz elements’. De Vuitton tas (inclusief het daarop afgebeelde dessin) behoort volgens Plesner tot die showbiz elements.

 

Vuitton vroeg de Rechtbank om een verbod met dwangsom en kreeg die ook. Dirk Visser heeft zich inmiddels over de uitspraak van de rechter in negatieve zin uitgelaten en ik sta daarin bijna geheel aan zijn kant. Met name zijn eerste bezwaar, al is dat direct ook niet het eenvoudigst te verdedigen, deel ik geheel. De vrijheid van de kunstenaar, als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting dient te prevaleren boven het recht van intellectuele eigendom. Plesner draagt met haar schilderij, waarin slechts een klein onderdeel bestaat uit de afbeelding van de Vuitton tas (aan de arm van het jongetje), bij aan een urgent maatschappelijk debat. Louis Vuitton is behalve een mooi merk ook een symbool voor rijkdom en welvaart. Aan die dubbele betekenis ontkomt het niet. Mijn stelling is dat het deel van het merk dat nu eenmaal die sociale, politieke of commerciele betekenis in zich draagt, de exclusiviteit van recht van de merkhouder op zijn merk open breekt. De reden is geen andere, dan dat volgens artikel 10 EVRM de vrijheid van meningsuiting gebruik moet kunnen maken van die sociale, politieke en commerciele betekenissen. We kennen die vrijheid graag toe aan cabaretiers, cartoonisten en columnisten. Plesner doet in feite niet anders en komt eenzelfde vrijheid toe. In de afweging die vervolgens plaatsvindt, uiteraard met inachtneming van proportionaliteit en functionaliteit, dient - ondanks de pijn en mogelijk schade die daar voor Louis Vuitton het gevolg van is - de vrijheid van meningsuiting te prevaleren.