Een gebrekkig product, de afnemer is in gebreke...

In het onderhavige geval werd de ontbinding ingeroepen van licentie- en onderhoudsovereenkomst(en) terzake een webwinkel applicatie. De universiteit beëindigde de relatie met haar leverancier, maar zij wanpresteerde daardoor jegens de leverancier.

Met de applicatie werd beoogd studentenreaders/syllabi digitaal en tegen betaling ter beschikking te (doen) stellen. Bij de opening van het studiejaar viel het systeem gedurende langere periodes uit en functioneerde het gebrekkig. Gezien het feit dat het onderhoudscontract een 24/7 up-time garandeerde en geen sprake was van een overmachtsituatie, volgde een (op zichzelf terechte) ingebrekestelling van de leverancier en schortte (na verloop van de termijn) de afnemer zijn betalingsverplichtingen op.

Tussen partijen werd afgesproken dat een externe-auditor een onderzoek zou doen naar de kwaliteit van het systeem en dat een zgn. stresstest zou worden uitgevoerd. De audit en de stresstest leiden tot de conclusie dat het nodige aan het systeem dient te worden verbeterd en aangepast. Vervolgens maken partijen een ‘tweede afspraak’ waarin het recht door de afnemer op ontbinding wordt voorbehouden indien de leverancier zal voldoen aan een aantal zaken, waaronder de tijdige oplevering van een ‘verbeterplan’. Onderdeel van de afspraak is voorts kennelijk dat de afnemer binnen een beperkte tijdsduur tot een definitief besluit kan komen of verdere ingebruikneming van het systeem verantwoord is.

Het verdere verloop is nu dat de leverancier op tijd zijn verbeterplan aanlevert, hierop geen reactie krijgt, nogmaals verzoekt om response en dat de afnemer vervolgens eerst na verloop van de nodige tijd mededeelt toch tot ontbinding over te gaan.

De leverancier en met hem de rechter vonden dat deze handelwijze niet kon. Er was immers sprake van een ‘tweede afspraak’ en de leverancier mocht erop vertrouwen dat de afnemer niet tot ontbinding zou overgaan anders dan in het geval dat de afnemer wederom zijn verplichtingen niet zou nakomen. Van dat laatste was geen sprake nu de afnemer de leverancier niet de kans had geboden om (zelfs maar) tijdig aan haar verplichtingen te voldoen, nu deze de overeenkomst ondanks het aangereikte verbeterplan had ontbonden.

Slotsom is dat de afnemer in schuldeisersverzuim kwam te verkeren en dus gehouden was vanaf enig moment de facturen van de leverancier te voldoen (het opschortingsrecht kwam te vervallen). De afnemer werd daarnaast schadeplichtig jegens de leverancier ondanks het feit dat de leverancier in eerste instantie wanprestatie leverde.

Op zichzelf is de gang van zaken wel begrijpelijk. De leverancier geeft aan wel een werkbaar en betrouwbaar systeem te (kunnen) leveren, de aanwijzingen daartoe zijn er ook wel en de afnemer, universiteit, zal (zo vul ik in) onder kritiek van de studentenvakbonden en andere spelers sneller voortgang hebben willen boeken, dan op dat moment zichtbaar mogelijk scheen, en deze besluit uiteindelijk tot beëindiging van de relatie. Zij doet dit evenwel op het moment dat zij een vervolgafspraak heeft gemaakt met nieuwe kansen voor de andere kant en die kansen dien je dan ook te geven. In dat licht is de uitspraak begrijpelijk en is het in dit soort gevallen goed oppassen wanneer welke kaart getrokken wordt.