Hoe (on)vrij is de ontwerper?

In het blad van de beroepsvereniging van Nederlandse Ontwerpers (BNO), Vormberichten, is onlangs aandacht besteed aan de vraag over de al of niet toelaatbaarheid van stijlnabootsing. Dat punt was aan de orde gekomen in een zaak tussen twee kunstenaars, Duijsens en Broeren. Broeren zou in de casus de stijl van Duijsens hebben nagebootst. En de vraag was of dat mocht.

 

De vrijheid van de kunstenaar

Over de zaak werd tot in alle instanties tot en met de Hoge Raad gestreden. Ik heb daar samen met Axel van Reek van ons kantoor bemoeienis mee gehad. Broeren was onze client. Het meest in het oog springende aspect aan de zaak was de vraag hoeveel vrijheid Broeren had om in een bepaalde stijl zijn eigen werken te maken.

 

Inspiratie door een stijl

Vertaald naar de ontwerper luidt de vraag: mag een ontwerper zich bij het maken van zijn ontwerpen laten inspireren door de stijl van een (bekende) collega, zonder in aanvaring te komen met de wet? Iedereen zal die vraag zonder meer met ja beantwoorden. Het wordt pas spannend als de inspiratie tot gevolg heeft dat het ontwerp als resultaat van de inspiratie de indruk zou kunnen wekken het werk van de inspirator te zijn.

 

Auteursrecht en slaafse nabootsing

Vooropgesteld moet worden dat de leer van de slaafse nabootsing evenals het auteursrecht betrekking moet hebben op concrete werken. In het geval van het auteursrecht als het om werken gaat die oorsponkelijk genoeg zijn om aanspraak te kunnen maken op bescherming, in het geval van de slaafse nabootsing als het om werken gaat die daarop geen aanspraak kunnen maken. Het vertrekpunt zowel bij het auteursrecht als bij de slaafse nabootsing - in elkaars verlengde dus - is en blijft de vergelijking tussen twee werken.

 

Overeenstemming tussen twee werken

In het geval van de ontwerper die een ontwerp maakt geinspireerd door een ander en in de stijl van die ander, moet bij de vraag of er sprake is van inbreuk op het auteursrecht of (bij afwezigheid daarvan) van slaafse nabootsing, gekeken worden naar de betreffende werken. Is er onvoldoende overeenstemming, dan is er geen sprake van auteursrechtinbreuk en is er dus al helemaal geen sprake van slaafse nabootsing.

 

Vrij stijlgebruik

Van mij mag de ontwerper - geinspireerd door de stijl van een ander - die stijl in ruime mate volgen zolang hij bij het maken van zijn concrete ontwerpen maar voldoende afstand houdt van de ontwerpen van zijn voorbeeld. Doet hij dat niet, dan heeft hij een auteursrechtelijk probleem en geen probleem met slaafse nabootsing. Daarbij is het vanzelfsprekend niet uitgesloten dat de slaafse nabootsing van de stijl gecombineerd met andere feiten een onrechtmatige gedraging kan opleveren.

 

Geen bescherming van abstracties

Ik ben het niet eens met degenen - en de BNO lijkt zich daarachter te scharen - die vinden dat de Hoge Raad te ver is doorgeschoten. Ik kan mij geheel vinden in de overweging van de Hoge Raad, dat de bescherming van abstracties en stijlkenmerken een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van de creatie van de maker met zich mee zou brengen. Ook wat mij betreft, veel vrijheid voor de maker, waarbij de grenzen niet bepaald worden door een beoordeling van stijlovereenkomsten maar door de vraag of er sprake is van onrechtmatigheid waarvoor een aanzienlijk bredere grondslag moet zijn.