Iedereen de dupe

Het wordt toch echt tijd dat er drastisch iets verandert in huurrechtland. Het is vrijwel onmogelijk om een passende oplossing te vinden voor tijdelijke huur, ook niet als verhuurder en huurder hierover afspraken wensen te maken. De wet schrijft namelijk regels voor waarvan niet ten nadele voor huurders kan worden afgeweken waardoor tijdelijke verhuur van woonruimte vrijwel onmogelijk gemaakt wordt. Voor specifieke situaties zijn uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld als er sprake is van voorgenomen sloop van een woning. In dat geval biedt de Leegstandswet soelaas. Maar als sloopplannen vertraging oplopen en er meer dan vijf jaar verstrijken kan ook op basis van die wet niet langer tijdelijke verhuur worden overeengekomen.

 

Dat in zo’n geval zowel verhuurder als huurder de pineut is en de wet dus te weinig flexibiliteit biedt blijkt uit het woondrama dat zich nu voltrekt aan de Platanenweg te Amsterdam. Stadgenoot, eigenaar van zo’n tachtig woningen in deze straat, liet in verband met sloopplannen, huurders vertrekken en trok nieuwe huurders aan met een tijdelijk contract tot aan de sloop. Toen er vijf jaar verstreken waren werden de huurovereenkomsten omgezet in antikraakovereenkomsten. Echter, door de (te)lage inkomsten die hierdoor werden gegenereerd voor Stadgenoot is het niet langer rendabel om deze situatie te handhaven. Er moet namelijk wel in onderhoud van de woningen worden voorzien. En dat kost geld. Kortom, Stadgenoot voelt zich gedwongen maatregelen te treffen om het hoofd boven water te kunnen houden. Door de crisis zijn de sloopplannen uitgesteld zodat Stadgenoot nu besloten heeft de woningen aan studenten aan te bieden. Studenten kunnen wel op basis van tijdelijke huurovereenkomst (voor de duur van hun studie) huren.

 

Aan de andere kant zijn er echter de belangen van tachtig gezinnen waarvan de meeste langer dan vijf jaar woonachtig zijn aan de Platanenweg en die niet zouden hoeven te vertrekken omdat de sloopplannen voor onbepaalde tijd zijn uitgesteld. Waar moeten zij heen? Minister Donner; zegt u het maar.