Ondernemingsrechtelijk Verjaardagscadeautje?

Het middel voor deze verbetering staat omschreven in het rapport ‘Snel en secuur toetsen: het alternatief voor de verklaring van geen bezwaar’. Het plan is dat deze wet het preventieve toezicht, gebaseerd op de verklaring van geen bezwaar, vervangt door een nieuw systeem van doorlopende controle. Anders gezegd: een bredere groep van rechtspersonen dan de oorspronkelijke verzameling vennootschappen (BV/NV) kan niet langer slechts vooraf maar voortdurend worden gecontroleerd.

Onder de huidige ondernemingsrecht is er een preventief toezicht, gebaseerd op een verklaring van geen bezwaar die na antecedentenonderzoek wordt afgegeven. De eerste bestuurders en aandeelhouders van vennootschappen worden hierbij gescreend aan de hand van uitgebreide vragenlijsten van hun antecedenten. Om de beperkingen van het huidige systeem op te vangen is het nieuwe systeem geïntroduceerd. Dit nieuwe systeem heeft gelukkig als randvoorwaarde dat het moet bijdragen aan een positief vestigingsklimaat voor bedrijven en ondernemers.

De Wcr beoogt misbruik van rechtspersonen voor onder andere faillissementsfraude, witwassen, terrorisme en terrorismefinanciering sneller te detecteren en te vervolgen.

Maar: dat het preventieve toezicht nu in zijn geheel komt te vervallen is opmerkelijk. Kennelijk achtte de wetgever het ook niet nodig een concreet “meetmoment” in te lassen bij het kopen van een vennootschap of inschrijving van een nieuwe bestuurder bij het Handelsregister van Kamer van Koophandel.

Met kwade bedoelingen is het op dit moment namelijk wél lastig om bijvoorbeeld een BV op te richten, maar niet om er één te kopen. Ondanks het feit dat in de literatuur op het gebied van het ondernemingsrecht stemmen zijn opgegaan die ervoor pleiten om ook een onderzoek in te stellen bij de overdracht van aandelen, wordt daar in dit wetsvoorstel (helaas nog) geen aandacht aan besteed.

De nieuwe wetgeving schept echter ook onduidelijkheid. Het is namelijk niet helder op grond van welke gronden een dergelijk onderzoek kan worden ingesteld. De wet spreekt van 'risicomeldingen en risico-analyses'.

Kortom: de minister heeft dus relatief veel vrijheid om zelf te bepalen hoe het onderzoek wordt uitgevoerd, en daarbij openbare en niet-openbare bronnen te raadplegen. In sommige gevallen kunnen ook huisgenoten die staan ingeschreven op het adres waar ook een rechtspersoon staat ingeschreven onderwerp van het onderzoek of de controle worden. Zij hoeven daarover niet te worden geïnformeerd. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer zijn weliswaar vragen gesteld over privacygevoeligheid, maar daar zijn m.i. geen bevredigende antwoorden op gekomen. De praktijk zal leren in hoeverre deze screeningpraktijk straks door de minister wordt ingevuld.